Recensie

Eliza woont met haar vader in het Londen van 1867. Als hij ziek wordt en sterft, moet zij hun huis uit. De huur kan ze van haar salaris als lerares op een meisjesschool niet betalen.

Haar oog valt op een advertentie in de krant. Er wordt een gouvernante gezocht. Ondanks het feit dat er nauwelijks informatie staat, besluit ze te solliciteren. Tot haar verbazing wordt ze zonder gesprek aangenomen. Ze reist af naar Norfolk en daar komt ze bij een gigantisch huis. Ze treft er twee kinderen: Isabella van 12 en Eustace van 8. Er zijn geen volwassenen in het huis.

De volgende dag probeert ze in het dorpje meer informatie te krijgen. Maar als mensen horen wie ze is. willen ze niet met haar praten.

In het huis gebeuren rare ongelukken. Als Eliza uiteindelijk achter het ware verhaal van het huis komt, moet ze kiezen. Blijft ze om voor de kinderen te zorgen of gaat ze zo snel mogelijk weg om haar eigen leven veilig te stellen?

Boyne gebruikt voor dit verhaal een alwetende verteller. In het begin is dat wennen, zeker omdat het verhaal langzaam van start gaat. Eliza spreekt voortdurend over naderend onheil. Charles Dickens speelt ook een grote rol in het boek. De stijl, de opzet en het onderwerp doen een beetje denken aan de verhalen van deze schrijver.

Boyne laat het vooruitblikken net op tijd achter zich. De lezer stapt dan in een verhaal dat zich snel ontvouwt en een spannende ontknoping heeft.

Met dit boek laat Boyne zien dat hij van alle markten thuis is. Hij schreef bijvoorbeeld eerder een aangrijpende roman over Auschwitz (De jongen in de gestreepte pyjama) en een historische scheepsroman (De scheepsjongen). Het victoriaanse huis laat zich nog het beste omschrijven als een ouderwets spookverhaal.